De haven
Ik doe mijn jas wat steviger dicht, de koude regen en wind voelt alsof het mijn botten direct raakt, en bel aan om mijn jonge collega Mats op te halen. Mijn collega ziet eruit alsof hij niet geslapen heeft, ik kan het me voorstellen om 02:00 s'nachts. Je wordt niet altijd je bed uit gebeld om naar de Rotterdamse haven te gaan. We stappen de politieauto in om op pad te gaan. De miezer en de donkere winterse dagen maken het zicht op de weg niet best. De ramen beslaan van onze warme adem. Op deze tijden zijn er in ieder geval geen files en kunnen we met een goed tempo bij de haven zijn. Mats vraagt me of ik al weet wat er gebeurd is. Het enige wat mij op dit moment duidelijk is, er is een moord gepleegd op brute wijze. We zijn even stil en staren beide naar buiten. Dit zijn voor ons geen van beiden de beste avonden, we zijn vaker bij moorden geweest die volgens de omschrijving een slachting waren. Het was nooit een mooi gezicht, en zeker iets om wakker van te liggen. "Denk je dat het dezelfde dader is?" Vraagt Mats. Ik weet het niet, maar het lijkt erop dat het dezelfde animo is, weer een aanslag om drugsterritorium. Maar goed, het kan net zo goed mensenhandel zijn. Ik merk dat ik nerveus ben, ik adem hoog en lijk wel te zweten. Hoeveel van dit soort zaken houd ik nog vol? De jaren beginnen aan me te vreten, elke nieuwe zaak lijkt zwaarder dan de vorige.
